Geschreven door Anne: Twee meisjes zitten net als ik in een dorpsbus vanaf Nijmegen. Het is vrijdagavond. De buschauffeur is jong en heeft gekozen voor een radiozender met hippe dancemuziek. Als ik zulke slechte muziek hoor, voel ik me gelijk twintig jaar ouder dan ik ben.
Ik ben moe. Maar deze jeugdige, ook hippe trouwens, geklede dames kletsen erop los. Nee, ik lieg: één vriendin kletst. De ander kijkt verveeld op haar telefoon. Haar vriendin praat over iemand die op sterven ligt. Ik begrijp niet hoe je in deze situatie zo op je telefoon kan kijken terwijl je bff’je duidelijk iets kwijt moet, maar misschien zie ik het als vermoeide medepassagier verkeerd.

“Stel, hij sterft op 4 januari, dan heeft hij wel nog de Kerst en nieuwjaar meegemaakt. De belangrijkste tijd waarin je samen moet zijn.”
Haar woorden komen onverwacht hard bij me aan en het voelt alsof ik in deze eerste ronde al knock-out ben geslagen. Ik denk aan mijn broer die twee jaar geleden ook stervende was en die in de daaropvolgende maart stierf.
Ik word boos: wie denkt ze wel niet dat ze is? Denk je nou echt dat je vol energie bij deze feestdagen kan zijn als je al op 4 januari doodgaat?
En hoezo 4 januari? Waarom niet 3, waarom niet 5? Waar baseert ze dit op? Ze doet net alsof ze weet waar ze het over heeft! Haar monoloog gaat verder. De helft hoor ik niet omdat ik met mijn gehele bewustzijn naar twee jaar geleden geslagen ben. Ik hoor haar alleen nog zeggen:
“Hij kon niet ademhalen en toen…”
Mijn oren schermen het geluid van de rest van de zin af, maar openen zich weer als ik het volgende hoor:
“Nu is de familie zo druk bezig iedere dag,” zegt ze terwijl haar vriendin zielloos knikt, “ze verzamelen foto’s, ze verzorgen hem. Maar straks!? Wat moeten ze straks? Dan belanden ze in een zwart gat!”

Dit meisje is een buitenstaander. Dit is iemand die kan zeggen: als hij op 4 januari sterft, zou dat mooi zijn. Dit is iemand die praat over een zwart gat alsof ze weet wat dat is. Dit is iemand die op een vrijdagavondlaat in een dorpse discobus hard praat over iets ‘ergs’.

Ik stop mijn oordopjes in om rustige muziek te luisteren om haar niet langer meer te horen spreken in haar vreselijke onbenulligheid. In haar domheid. In haar lege buitenstanderheid.

Ik doe ze na een minuut weer uit omdat ik voel hoe een groot verdriet zijn weg naar buiten wilt banen. Ik raak in paniek. Het meisje spreekt nu over een jongen die ze leuk vindt. Ik ben blij dat ze het andere thema achter zich heeft gelaten en ik sluit mijn ogen om diep adem te halen. Als ik thuis ben, ga ik dit, wat ik nu voel, aandacht geven, neem ik me voor. Maar nu niet.

Ik ben thuis. Ik open de voordeur, ik doe hem op slot, mijn jas gooi ik naast het bed, ik poets snel mijn tanden, ik trek mijn pyjama aan, ik stap in het koude bijna-winterbed.
Het plafond ziet er ook op deze avond weer hetzelfde uit en ik voel weer hoe moe ik ben en hoe dankbaar ik ben dat ik in bed gaan liggen. Ik draai me om; linkerzij, rechterzij. Ik lig maar weer op mijn rug en ik leg mijn hand op mijn buik en een ander op mijn borst om contact met de pijn in mezelf te maken, maar in mijn lichaam steekt een stalen plaat die al het voelen tegenhoudt. Ik kijk op mijn telefoon en scroll wat door facebook. Ik doe het niet. Ik durf niet naar de pijn te gaan. Ik ben te bang.
Ik val in slaap.

Ontvang inspirerende, liefdevolle blogs en tips die je helpen bij het zinvol rouwen.

Je bent succesvol ingeschreven.